Bikepacking door de Alpen – deel 2

Bikepacking door de Alpen – deel 2

10 september 2020 0 Door Ties Wijntjes
Leestijd: 16 minuten

Deze zomer ga ik voor het eerst rondtrekken met de fiets. In mijn eentje ga ik de Alpen trotseren. Ik start in Zwitserland en reis via Italië door naar de hoofdmoot: de Franse Alpen. Eerder schreef ik al over de eerste vier ritten, in dit verhaal lees je over mijn ervaringen tijdens het tweede deel van de reis.

Na de aankomst in Frankrijk wissel ik ongeveer een week het fietsen met en zonder bepakking af. De eerste vier dagen hebben er toch behoorlijk ingehakt dus besluit ik niet alleen maar ellenlange dagen te maken maar ook wat kortere ritjes zonder bepakking te rijden. Zo sta ik twee nachten op een camping in Bourg-Saint-Maurice, waar ik de Col du Petit Saint Bernard opfietste, en verbleef ik ook twee dagen in Brides-Les-Bains, waar ik het profpeloton van het Criterium du Dauphiné zag passeren en de loeizware Col de la Loze (dit jaar het dak van de tour) beklom.

Het slotstuk in de Alpen was le Bourg d’Oisans, misschien wel een van de mooiste plekjes in het Franse hooggebergte. Ondanks een inwonertal net boven de 3000 was het maar liefst 20 keer het toneel van een start of finish van een Touretappe. Menig wielrrenner kent het dan ook als de startplek van de Alpe d’Huez: eigenlijk een best lelijke beklimming, maar wel in een prachtige omgeving en met een bijzondere (Tour)historie.

De prachtige Vallée du Vénéon, met in de verte le Bourg d’Oisans.

Twee dagen fiets ik in de omgeving van le Bourg d’Oisans enkele beklimmingen op die ik van eerdere reizen kende, en ontdekte ik enkele prachtige bergwegen die nog op mijn verlanglijstje stonden. Na drie dagen is het echter weer tijd om door te gaan: ik heb besloten om naar huis te fietsen.

Etappe 7: le Bourg d’Oisans – Lac du Carouge

Terwijl ik wakker word hoor ik nog enkele druppels op mijn tent vallen, het heeft ’s nachts wat geregend dus dat betekent dat ik mijn tentje nat in moet gaan pakken. In de hoop dat mijn tentje nog wat opdroogt besluit ik niet te haasten om te vertrekken. Ik zet een kopje koffie, ontbijt wat en begin rustig aan in te pakken. Voor vertrek spreek ik kort nog even met mijn Nieuw-Zeelandse buren, of zoals ik ze noemde: de George Bennett Fanclub.

Als ik ruim na tien uur dan eindelijk vertrek is het nog een aangename temperatuur. Sterker nog, het is denk ik de eerste dag dat ik niet met een gevoelstemperatuur tegen de dertig graden aan op de fiets stap. Aangezien de eerste kilometers van de rit vlak zijn heb ik even tijd om op gang te komen, wat ik ook wel nodig heb ondertussen. Stilletjes aan begin ik te merken dat de eerste twee weken, waarin ik ongeveer 57 uur fietste, er toch in beginnen te hakken. De intensiteit ligt dan niet heel hoog, de hoeveelheid uren op de fiets begin toch voor wat slijtage te zorgen.

Ik wil er niet te veel over nadenken want vandaag staat de allerlaatste échte grote Alpencol op het programma: de Col du Galibier. Een van de allerbekendste en allerzwaarste alpenreuzen. Maar liefst zestig keer zat de beklimming in het Tourparcours, en eenmaal zelfs in dat van de ronde van Italië. In La Grande Boucle is het tevens het decors geweest van legendarische gebeurtenissen. Het was op de Galibier waar Theo Middelkamp de basis legde voor de eerste Nederlandse etappezege in de Tour, waar Thomas Voeckler zijn gele droom uiteen zag spatten en waar Andy Schleck een indrukwekkende solo van ruim 60 kilometer met succes afrondde.

De top kan je vanaf twee kanten bereiken, de noordelijke (en populairste) beklimming vanuit Saint-Michel-de-Maurienne over de Col du Télegraphe of de zuidelijke beklimming vanaf de top van de Col du Lautaret. De Lautaret kan je op zijn beurt weer vanaf twee kanten beklimmen: vanuit Briançon of le Bourg d’Oisans. Vanuit die laatste plaats ga ik hem op. De klim begint niet al te zwaar gelukkig. De eerste twaalf kilometer wordt het niet veel steiler dan 6% en zitten er zelfs enkele dalende stukken in. Daarna is het een echte lange loper, 24 kilometer lang loopt de beklimming aan iets meer dan 4% gemiddeld omhoog, met een paar zeldzame uitschieters naar 10%.

Het uitzicht wat me op de top te wachten staat

Ik heb de moed er aan het begin nog prima inzitten. De eerste kilometers verlopen lekker en ik haal zelfs een aantal andere wielrenners in. Na een klein uur heb ik het eerste stuk van de beklimming erop zitten en weet ik dat de weg vanaf hier 24 kilometer vrijwel constant omhoog loopt dus besluit ik een podcast op te zetten voor wat vermaak. Ondertussen is het toch best warm aan het worden maar ik begin gelukkig aan de hitte te wennen en weet dus een lekker ritme te vinden. Kilometer voor kilometer werk ik m’n weg naar boven, en voor ik het weet kom ik aan op de top van de Col du Lautaret. Ik merk dat m’n energieniveau toch een tik te verwerken heeft gehad dus ik besluit even een korte stop te maken voor een colaatje.

Ik wil niet te lang stilzitten want de weg naar de top van de Col du Galibier loopt gelijk weer omhoog en wordt ook snel al wat steiler. Het klinkt misschien verwarrend dat tussen de ene en de andere top geen afdaling zit, maar dat heeft te maken met officiele Franse definitie van een Col. In Geografische termen is een Col het laagste punt van een bergrug tussen twee pieken in. In Frankrijk wordt een bergpas bestempeld als een col als het het hoogste punt van de weg is tussen twee hoger gelegen bergtoppen in. Volgens de definitie moet je dus aan twee zijden naar beneden kunnen rijden en aan twee zijden omhoog kunnen lopen. De Col du Lautaret is dus een Col op zichzelf omdat de weg weer in dalende lijn naar Briançon gaat, terwijl de weg naar de top van de Galibier een andere weg is.

Ik tik het colaatje achterover en begin aan het zwaarste stuk van de beklimming. Ik zit ondertussen op een hoogte ruim boven de 2000 meter dus de lucht begint alsmaar ijler te worden. Tegelijkertijd lijkt wat suiker en een korte pauze me goed gedaan te hebben. Ik voel me een stuk beter en kan dus met een gevoelsmatig goed tempo mijn weg vervolgen naar de top. De laatste kilometers verandert het uitzicht behoorlijk. Waar je eerst door weilanden fietst met uitzicht op de gletsjer van La Meije is het de laatste kilometers genieten van indrukwekkende ruwe rotswanden en vergezichten door het dal richting Briançon.

Met nog iets meer dan één kilometer van de beklimming te gaan bereid ik me voor op het steile slotstuk. De oorspronkelijke top van de klim lag op 2556 meter hoogte. In 1976 werd de tunnel op de top echter gesloten voor maar liefst 26 jaar, voor restauratiewerkzaamheden. De route werd verlegd waardoor de top bijna honderd meter hoger kwam te liggen: op 2645 meter. Vermoedelijk was het niet de bedoeling dat de tunnel zó lang dicht zou zijn, want de laatste kilometer (de nieuwe weg) is afgaande op het hoge stijgingspercentage en de loeisteile bochten vluchtig aangelegd.

Ik heb gelukkig nog een klein overschot dus zet de laatste steile flanken nog even aan alvorens in de top rond. Ook hier is het uitzicht erg indrukwekkend, je kijkt zo naar beneden richting de Col du Lautaret, die ondanks het feit dat hij bijna 600 meter lager ligt niet eens zo ver weg lijkt. Aan de andere zijde kijk ik naar de kronkelende weg die ik zo af ga dalen. Echt ver kan je de weg niet volgen, maar het uitzicht op de verschillende bergwanden is magistraal.

Op de top knoop ik een gesprekje aan met een Spaans koppel die ik enkele dagen eerder had ingehaald (hehe) op de Alpe d’Huez. Na een tijdje uitgerust te hebben stap ik weer op de fiets om aan de lange afdaling te beginnen. Op hoog tempo daal ik richting Valloire, van waaruit het wegdek weer enkele kilometers omhoog loopt naar de Col du Telegraphe. Op de top stop ik bij een restaurant om een bosbessentaartje te eten, maar die blijken ze niet te hebben dus ik stap gelijk weer op de fiets. Ondertussen is het weer behoorlijk heet maar de afdaling brengt wat welkome verkoeling.

De afdaling van de Galibier

In Saint-Michel-de-Maurienne komt er ook geen bakker op mijn pad dus ik besluit door te fietsen. Als het niet voor de bergwanden aan mijn weerszijden was zou ik bijna denken dat ik door de Noord-Hollandse polder aan het fietsen was. De weg daalt lichtjes maar ik moet moeite doen om dertig kilometer per uur te fietsen door een keiharde tegenwind. Ik probeer mezelf wat kleiner te maken op de fiets maar ik word alle kanten opgeblazen door forse windvlagen. Ik realiseer me opeens weer waarom ik zo van het hooggebergte houd en de polder niet heb gemist de voorbije weken.

Er staat nog één kort uitstapje op het programma alvorens ik koers zet richting de camping voor vannacht. Ik heb besloten les Lacets de Montvernier op te fietsen, ook al ligt dit niet helemaal op de route. De lussen van Montvernier (vrij vertaald) is een weg van 2,5 kilometer die naar een kapelletje en het dorpje Montvernier leiden, en vervolgens aansluit op de weg naar de top van de Col du Chaussy. De klim staat bekend om de snelle opeenvolging van haarspeldbochten, vanuit het dal lijkt het net alsof de weg als een slang de berg opkruipt. Volgens velen zijn het er achtien in 2,5 kilometer. De werkelijkheid leert dat het één haakse bocht en zeventien haarspeldbochten zijn: gemiddeld iedere 150 meter een haarspeldbocht dus. Door de hitte en behoorlijk vermoeide benen kruip ik voor m’n gevoel de klim op, maar het is het meer dan waard. Al na een paar minuten word ik beloond met prachtig uitzicht door het dal en kan ik de weg onder mij het dal in zien kronkelen. Halverwege de klim is het net alsof je door een kloof rijdt, als de weg aan beide kanten geflankeerd wordt door forse rotspartijen. In de afdaling, over dezelfde weg, geniet ik evenveel van het uitzicht, en kijk ik met grote ogen naar een groep bergbeklimmers die over een bergwand naar de Cascade de la Passerelle klimmen.

Na de afdaling zet ik weer koers richting La Chambre. De wind lijkt wat minder door het dal te jakkeren dus ik fiets weer met iets meer ontspanning. In La Chambre stop ik nog eenmaal voor wat verkoeling en een laatste boost suiker. Het laatste uur lijken de benen eindelijk weer op gang te komen. Ik realiseer met dat het puur een mentale kwestie is, aangezien met de finish in zicht de benen weer beginnen mee te werken. Het voelt wat zwak als ik bedenk dat het enige wat de hele dag in de weg zat ikzelf was. Tegelijkertijd maakt het me niet al te veel meer uit, want ik ben bijna op mijn bestemming.

Ik doe wat boodschappen op twee kilometer voor de camping. Ik verwacht geen moeilijkheden meer dus neem mijn avondeten in een losse plastic zak mee. Als de laatste kilometer toch nog vervelend omhoog blijkt te lopen baal ik behoorlijk. Utterend met een plastic zak in mijn linkerhand worstel ik me een weg door de laatste kilometers. Aangekomen op de camping blijkt dit geen camping meer te zijn dus kan ik weer omkeren en afdalen naar een andere camping, naast het Lac du Carouge. Voor een veel te hoge prijs krijg ik een matige plek op de camping toegewezen. Tot overmaat van ramp blijkt mijn tentje ook nog steeds doorweekt te zijn. Ik zit er even behoorlijk doorheen, tot ik terugdenk aan de rit die ik zojuist heb verreden. Door de prachtige bergen, indrukwekkende vergezichten en vele hoogtemeters prijs ik me weer gelukkig. ’s Avonds kijk ik op de camping nog eens goed om me heen, naar de vele sterren en de Oostelijke toppen van het Baugesmassief en realiseer ik wat een luxe het is om in deze prachtige omgeving te zijn.

Etappe 8: Lac du Carouge – Saint-Cergue

Dag acht begint na een vlakke kilometer de camping af vrijwel gelijk met de Col du Frêne. De klim is ongeveer tien kilometer aan een stijgingspercentage van 6,5%. Echt lekker is het niet om direct te starten met een beklimming, maar dit zou niet voor al te grote problemen moeten zorgen. De route voert me door Saint-Pierre d’Albigny, van waaruit ik prachtig uitzicht heb op de Dent d’Arclusaz, de piek van het Arclusazgeberte. Het is net voor tienen als ik door het dorp fiets maar door de rust die er heerst lijkt het alsof ik in alle vroegte ben vertrokken.

Tussen boomgaarden en flinke moestuinen door rijd ik het dorp uit over een brede maar nog altijd rustige weg. Echt hard gaat het niet want met het oog op de kilometers die nog komen gaan besluit ik – zoals wel vaker – het rustig aan te doen. Ik merk dat ik regelmatig over mijn schouders kijk, naar de ruige Alpen die ik vandaag met gemengde gevoelens definitief achter me laat. Het klimmen met bepakking ga ik niet direct missen. De benen willen nog wel maar ik merk dat ik zelf wat slomer begin te worden en mentaal toch wat moeite heb om mezelf omhoog te hijsen. Tegelijkertijd gaat het gepaard met een bepaalde weemoedigheid. Iedere keer dat ik weer een top bereikte de voorbije weken heb ik enorm genoten. De prachtige omgeving, lange beklimmingen en de gelijkgestemde mensen die ik in de Alpen heb getroffen deden me meer op m’n gemak voelen dan waar dan ook tijdens deze trip.

De hoogvlakte van het Baugesmassief

Op de top werp ik nog éénmaal een blik richting het zuiden, naar de pieken van de Vanoise. Om een nog altijd onverklaarbare reden krijg ik spontaan een bloedneus, maar als het bloeden gestelpt is stap ik weer op de fiets om het Baugesmassief te doorkruisen. Tot Annecy gaat de weg op en af als een soort Achtbaan: een kleine tien kilometer daal ik, gevolgd door een klimmetje van een paar kilometer. Een stramien dat ongeveer vijftig kilometer duurt. In Annecy mag ik voor het eerst van mezelf stoppen dus ga ik op zoek naar een taartje. Een bakkertje aan een niet al te drukke weg lijkt echter lastig te vinden zonder al te veel van de route af te wijken, dus uiteindelijk beland ik in de berm voor een kort klimmetje in de voorsteden van Annecy met twee punten appeltaart en een flesje cola van de lokale hypermarché.

Als ik de stad definitief uit ben volgt weer een lang stuk in stijgende lijn. De stijgingspercentages zijn niet fors, maar ik merk dat ik werkelijkwaar niet vooruit te branden ben. Gelukkig is het ritme op de fiets er de voorbije weken behoorlijk ingebrand dus blijf ik ondanks een fiks gebrek aan motivatie rustig de kilometers verwerken. Het idee dat ik na deze klim weer bijna 16 kilometer aan één stuk zal dalen motiveert om door te blijven gaan. In de afdaling fiets ik de Frans-Zwitserse grens over en vrijwel direct Genêve in. Ik ben benieuwd naar de luxueuze stad die het schijnt te zijn maar kom – mede door het vermijden van de oude binnenstad – enigszins bedrogen uit.

Aan de rand van Genêve, kort voor ik de Jura induik stop ik bij een supermarkt voor een colaatje. Het is ondertussen weer bloedheet, ik ben behoorlijk moe en heb eigenlijk ook vrij weinig zin om nog door te fietsen. Er staan echter nog zestig kilometer op de planning met een taaie beklimming erin. Ik besluit nog eens op google maps te kijken of er niet een andere camping is waar ik kan overnachten. Na wat zoekwerk vind ik een alternatief, al ontkom ik niet aan een klim van om en nabij 600 hoogtemeters. Desalniettemin zit ik nog even met mijn handen in mijn haren op het stoepje. Het idee dat ik vandaag toch nog maar dertig kilometer moet is heel fijn, maar tegelijkertijd realiseer ik met dat Nederland ver weg is. In een omgeving waar ik niks of niemand ken voel ik me opeens heel klein en laat ik even letterlijk mijn hoofd hangen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik hier ook geen meter mee opschiet dus stap ik toch maar weer op de fiets, dan ben ik in ieder geval sneller op de camping.

Al fietsend blijf ik peinzen over de reis terug naar huis. Hoe ga ik dit nog een week volhouden met nagenoeg geen motivatie en een log lijf? Wil ik het eigenlijk wel? Nadat ik m’n originele terugreis heb geannuleerd voelt het toch als een soort zwaktebod om halverwege de fietstocht naar Nederland weer in een bus te stappen. Ik wil wel naar huis fietsen maar realiseer met dat het aan een dood paard trekken is als ik met deze mindset blijf fietsen. Opeens denk ik aan een uitspraak die ik meermaals deed voor vertrek: “Het lijkt me heerlijk om iedere dag wakker te worden en precies te doen waar ík zin in heb. Dat ik met niets of niemand rekening hoef te houden.” Tegelijkertijd bedenk ik me dat ik volgens mijn originele planning ook maar dertien dagen in mijn eentje zou rondreizen, wat de dag daarna zou zijn. Nog geen minuut later heb ik mijn keuze gemaakt. Waarom zou ik tegen beter weten in doorfietsen, als ik merk dat het eigenlijk alleen maar moeizamer wordt? Ik maak deze reis tenslotte voor mezelf, ik hoef me voor niemand te bewijzen. En zoals Ronald op Mind my Ride schreef: “Op de schaal van één tot idioot zal er altijd een bezetene zijn die hoger scoort dan ik.”

De beslissing doet met goed, ik fiets gelijk een stuk zorgelozer rond. Dat maakt de slotklim naar Saint-Cergue er echter niet makkelijk op. De snelheid daalt met het starten van de klim weer, terwijl de temperatuur nog altijd hoog is. Bij het opdraaien van de klim heb ik even moeite met ademen door de droge lucht die mijn luchtwegen ogenblikkelijk lijkt uit te drogen. De weg is druk maar ik kan onderweg genieten van uitzicht op de majestueuze Mont Blanc. Het laatste stuk van de beklimming tover ik ergens nog een potje energie vandaan en dus vlieg ik de laatste meters omhoog, Saint-Cergue in. Vanuit het dorpje rest nog een kilometer naar de camping, waar ik eenmaal aangekomen in alle rust mijn tentje op zet en op zoek ga naar een busreis naar huis. Vanuit Basel kan ik drie dagen later huiswaarts. In mijn achterhoofd rest nog altijd een stemmetje die het als een laffe daad bestempelt maar ik ben er ondertussen zeker van dat dit de beste optie is. Opeens resten er nog maar twee verplaatsingen, de laatste dag kan ik afsluiten met een rondje door de Jura zonder bepakking. Het einde is plotseling in zicht.

Etappe 9: Saint-Cergue – Maîche

Na een behoorlijke korte nacht (de lokale jeugd mocht denk ik voor het eerst een nachtje alleen kamperen) start ook deze dag gelijk weer met een klim. Omdat het de klim is waar ik gister de dag mee beëindigde hoef ik vandaag nog maar iets meer dan honderd meter omhoog om de eerste top te ronden: de Col de la Livrine. Ik kijk vooral uit naar het eerste deel van de rit, want na een korte afdaling volgt een lang glooiend stuk over de hoogvlakte van de Jura.

Met een ferm windje in de rug verloopt het eerste uur erg gemakkelijk. Ik geniet van een goede podcast en betrap mezelf weer meermaals op een brede grijns. Gelukkig maar, want na een paar lange dagen was ik daar wel aan toe. Na ongeveer veertig uur volgt een afdaling met direct daarna de enige serieuze beklimming van de dag. Een naamloze beklimming welteverstaan. En dat laatste feit blijkt volledig terecht te zijn, het gaat om een troosteloze lap asfalt die kilometers aaneen rustig omhoogloopt. Zonder spectaculair uitzicht, maar met veel gemotoriseerd verkeer.

Ik blijf rustig doorfietsen – ondertussen met een hele matige podcast – aangezien ik vrij weinig keuze heb, de laatste kilometers richting Basel zal ik hoe dan ook nog moeten afwerken. Sowieso ben ik de voorbije week in een soort waas gecentreerd om de fiets terechtgekomen. Iedere dag opnieuw lijkt het eerste uur op de fiets voorbij te vliegen. Met zestig minuten op de klok heb ik steeds weer het gevoel alsof ik nog aan het opwarmen ben. De tassen nog één keer vastmaken, slokje water: voila, nu kan de rit écht beginnen. De vermoeidheid begint erin te hakken, maar tegelijkertijd merk ik aan het eind van iedere rit dat als het écht moet, ik zo nog een paar uur door zou kunnen gaan. En terwijl het nergens echt pijn doet, begint het lichaam toch her en der te protesteren.

Ik denk lang na over een vraag die ik mezelf stel: hoe gaat het met me? Na een half uur is de conclusie dat ik het eigenlijk niet weet. Het lichaam is moe, maar toch wil ik stiekem terug omkeren naar de Alpen. Ik heb zin om thuis op de bank te liggen, maar iedere ochtend kijk ik uit naar het moment dat ik weer op de fiets kan stappen. Her en der mis ik mensen om me heen, maar ik geniet ook eindeloos van de rust. Apart eigenlijk, hoe snel een norm veranderd. Zes uur fietsen, dat is voor mij het nieuwe normaal.

In lijn met de beklimming is ook de afdaling weinig noemenswaardig. Het figuurlijke hoogtepunt komt door het uitzicht op een kasteel waar Herbert Dijksta van zou smullen. Kort voor La Cluse-et-Mijoux wordt ik begroet door het Château de Joux: een vestingwerk waarvan de vroegste vorm stamt uit de 11e eeuw, langs een handelsroute tussen Italië en het westen, welke in de 17e eeuw werd omgebouwd tot een fort en tegenwoordig dienst doet als openluchmuseum. Iets verderop, in Pontarlier stop ik bij een bakkertje. Met een colaatje en een croissantje kom ik onder de verfrissende dampen van een brandende prullenbak even tot rust. Bij het uitrijden van Pontarlier rijdt ik de Chemin du Train op, een oude spoorlijn waar nu een fietspad ligt die naar verluidt ook populair is onder skeeleraars. Onderweg kom ik langs een klein, heuvelachtig autocircuitje (maar 822 meter lang blijkt uit naslagwerk), ik beeld me in dat het een prachtige wedstrijd is voor een wielerkoers. Leuk voor het volgende lustrum van SKITS, denk ik. Dan kan ik ook eens winnen! Er volgen nog wat nietszeggende heuvels over brede wegen maar de laatste kilometers zitten er zo op.

Ik kom aan in Maîche en zet op de camping municipale mijn tentje op. Nog één dag moet ik mijzelf, de fiets en tien kilo bepakking een kleine negentig kilometer rondzeulen voor ik de eindbestemming van de vakantie heb bereikt.

Etappe 10: Maîche – Basel

Als ik ’s ochtends wakker word hoor ik de regen op mijn tent druppelen. Normaliter zou ik balen dat ik in de regen moet gaan inpakken maar vandaag draai ik me nog eens om. De route naar Basel is maar een kleine 90 kilometer lang, dus ik heb alle tijd van de wereld. Na het ontbijt begin ik wat spullen in te pakken, en tussen de buien door de eerste tassen op mijn fiets te bevestigen. Ondanks mijn uiterste best heb ik de eerste bui nog voor vertrek van de camping te verduren gehad.

In alle rust verwerk ik de eerste kilometers. De Jura is het eerste uur van mijn rit nog gehuld onder wolkensluiers die als een satijnen deken over de beboste bergtoppen glijdt. Her en der zie ik een wolk langs me waaien, een enkele keer rijd ik er doorheen. Ondanks het natte weer is het weer genieten geblazen omdat de omgeving nog even mooi is. Na een ruim uur fietsen volgt een afdaling, die direct gevolgd wordt door de enige beklimming van de dag.

Na een uur maakte de wolken voorzichtig ruimte voor de zon

Ik besluit kort te pauzeren, ik heb tenslotte toch geen haast. In Saint Ursanne eet ik wat en vul ik mijn bidon met water, alvorens ik voor het laatst een klim op ga met bepakking, de Col des Rangiers. Echt zin heb ik er niet in, want ik heb al gezien dat de beklimming best steil start. Tegelijkertijd kijk ik er naar uit, dat het hierna weer even is gedaan met de combinatie bepakking en hoogtemeters. Als ik eenmaal de moed heb verzameld begin ik er dan toch aan. Rustiger dan ik voorheen mogelijk had gehouden – D1 – fiets ik omhoog. De cadans, het hartslag en vermogen liggen allemaal lachwekkend laag maar het kan me vrij weinig schelen.

Na een paar minuten realiseer ik dat – ondanks de steile start – de klim onmogelijk écht lastig kan zijn, de 400 hoogtemeters verbleken in vergelijking met enkele alpenpassen die ik de voorbije weken heb beklommen. Ik denk nog eens terug aan de Madeleine, waar de laatste kilometer langer dan ooit leek te duren. En de Iseran, waar ik voor de stromende hagel moest schuilen. En de prachtige Cormet de Roselend. Ik was bang dat door de vervroegde reis huiswaarts de vakantie misschien gevoelsmatig in mineur zou eindigen maar ik bedenk me dat dat helemaal niet zo is. Ik kijk terwijl de vakantie nog niet eens voorbij is met ongelooflijk veel plezier terug op de vele beklimmingen, ontmoetingen en bijzondere ervaringen.

Na een overdreven duur colaatje op de top van de beklimming daal ik af richting Basel, waarna ik nog maar een kleine veertig kilometer hoef af te leggen voor het bikepacken erop zit. De weg loopt vals plat af dus het laatste uur verloopt makkelijk. Ondanks de drukke wegen probeer ik de mooie omgeving nog even goed in me op te nemen, alvorens ik weer richting het platte Nederland vertrek. Als ik na vier uur al aankom op de camping moet ik toch even schakelen, geen enkele dag was ik zo vroeg klaar met de rit. Met ‘maar’ 90 kilometer op de teller voelt het als een soort ereronde. Ik overweeg nog een rondje na het opzetten van mijn tent te fietsen maar besluit dat het wel prima is. Moe, maar ontspannen en voldaan geniet ik op een terras in Basel van een biertje. Mijn eerste solo-fietsvakantie zit erop, en wat één. Morgen ga ik nog één keer genieten van de magie die een berg op fietsen heet, maar gelukkig zonder bepakking.