Bikepacking door de alpen – deel 1

Bikepacking door de alpen – deel 1

13 augustus 2020 3 Door Ties Wijntjes
Leestijd: 11 minuten

Deze zomer ga ik voor het eerst rondtrekken met de fiets. In mijn eentje ga ik de Alpen trotseren. Ik start in Zwitserland en reis via Italië door naar de hoofdmoot: de Franse Alpen. Dit is mijn verhaal over de eerste grote verplaatsingen en het eerste deel van de reis.

Etappe 1: Andermatt – Craveggia

Als ik afscheid neem van Mart en Kay voordat ze in de auto stappen naar Nederland ben ik doodzenuwachtig. Twee weken in m’n eentje leek vooraf lang, maar haalbaar. Blessures en ziekte gooien roet in het eten waardoor Kay en Mart – waar ik eerst twee weken mee samen zou reizen – al na één week naar huis gaan. Drie weken alleen is héél lang. Nadat ze wegrijden bezoek ik nog een laatste keer het toilet alvorens ik op de fiets stap. Na een paar omwentelingen zijn de zenuwen gelijk weg. Het vertrouwde gevoel van fietsen doet wonderen. Ik adem diep in en kijk vooruit – letterlijk en figuurlijk – naar het eerste obstakel van mijn bikepackingtrip: de Furkapass. Ik begin rustig, aangezien ik een lange dag voor de boeg heb. Ik vind gelijk een fijn ritme en een tempo wat ik de volledige klim op het gemak vol kan houden. Ik haal een aantal andere wielrenners in, en na een klein half uur zie ik de man die constant zo’n honderd meter achter me zat uit beeld verdwijnen. Kort voor de top lach ik voor het eerst hardop: dit gaat een prachtig avontuur worden. Eenmaal aangekomen op de top eet ik wat en geniet ik even van het uitzicht om vervolgens een paar kilometer te dalen naar Hotel Belvedère. Bij een kraantje waar hoognodig verfrissend water uitkomt raak ik aan de praat met twee Fransmannen die ook met de fiets op vakantie zijn. Ze hebben nog nooit eerder iemand met mijn soort bepakking gezien en zijn erg geïnteresseerd. We praten een kwartiertje over versnellingen, bergen en onze plannen. Naderhand maken we wat foto’s van elkaar, waarna ik mijn reis voort zet richting het Rhônedal.

In de afdaling van de Furkapass langs het Belvedère hotel

Voor het eerst deze vakantie raas ik op hoge snelheid naar beneden zonder armstukken. Zelfs op hoogte is het al warm, en naarmate ik daal wordt het alsmaar warmer. Niet voor de laatste keer zal m’n garmin die dag als gevoelstemperatuur ruim 40 graden weergeven. Ik stop in het dal meermaals op zoek naar een winkel. De eerste stop vind ik wel weer een fonteintje voor wat verkoeling maar geen koude cola, dat lukt pas de vierde keer. Snel werk ik een cola en snickers naar binnen want ik heb ondertussen al behoorlijk lang stilgestaan maar ik wil door: de Simplonpass wacht. In Brig zoek ik aan de voet van de volgende Alpenreus nog één keer verkoeling voordat de steile klim begint. Over de Alte Simplonstrasse begin ik aan de beklimming. Gelijk steil, en alsof het nog niet zwaar genoeg is ook over klinkertjes. Na een paar minuten rijd ik een buitenwijk in waar de weg met percentages boven de tien procent oploopt. Het is er erg rustig: ik ben er alleen met m’n fiets, een kabbelend beekje langs de weg en de brandende zon. Na een paar kilometer draai ik een grotere weg op. Bij een kruising twijfel ik even welke kant ik op moet. Ik vermoed dat de grote weg minder steil is, maar mijn garmin wil me binnendoor sturen. Ik besluit het aan een andere fietser te vragen. De tengere man die ik aanspreek blijkt het ook niet te weten. Sterker nog, hij wilde mij precies hetzelfde vragen. We bestuderen samen even Google Maps en besluiten dat binnendoor toch de beste optie is. We raken aan de praat en fietsen samen verder. 

Het is een Italiaanse man, die een flinke tocht aan het maken is. Vanuit zijn woonplaats Locarno fietst hij die dag ruim 250 kilometer en bijna 5000 hoogtemeters over onder meer de Nufenen- en Simplonpas. Als hij na een paar kilometer bij een fonteintje wil stoppen voor verkoeling twijfel ik even: een voetje aan de grond op een klim voelt als een zwaktebod, maar ik vind zijn gezelschap aangenaam en vind verkoeling ook een fijn idee. Bovendien realiseer ik dat ik me voor niemand hoef te bewijzen. De kilometers vorderen en we blijven uitgebreid praten. Over de fietscultuur in Nederland en Italië, Zwitsers rijgedrag, de omgeving en nog veel meer. Als we de grote weg weer opdraaien besluiten we toch maar achter elkaar te fietsen, al betekent het dat we nagenoeg moeten schreeuwen om nog te kunnen converseren. In een van de lange tunnels voor de top vraag ik wat zijn naam is. “It’s Curzio”, antwoordt hij. “Nice to meet you Curzio, I’m Ties” reageer ik. Op de top (2005 meter) nodigt hij me om wat te drinken. De koude cola en het pruimentaartje doen ons beide goed, we zijn klaar voor de afdaling. 

Samen met Curzio op de top van de Simplonpass

Voordat we ons naar beneden storten vraag ik Curzio of hij een snelle daler is. “Usually yes, but I’ll adjust my pace” zegt hij. Ik moet nog wennen aan het dalen met de bepakking dus vermoed dat ik niet al te snel ga, maar ik bleek het behoorlijk fout te hebben. Sterker nog, misschien is het wel de snelste afdaling die ik ooit rijd. Minutenlang raak ik mijn remmen amper aan, en zie ik mijn snelheid constant rond de 70 en 80 kilometer per uur (sorry mama) dansen. Heerlijk. In Domodossola overgieten we onszelf nog eenmaal ik koud water voor we beginnen aan de slotklim naar Santa Maria Maggiore. Het is wederom gruwelijk warm dus we kruipen werkelijk omhoog. Aangekomen op de top drinken we nog één keer een koude cola voordat we de laatste kilometers samen fietsen. Op 450 meter van de camping waar ik ga overnachten splitsen onze wegen. Ik bedank Curzio voor zijn gezelschap en wens hem succes met de laatste vijftig kilometer huiswaarts.

Eenmaal aangekomen op de camping zet ik snel mijn tentje op en haast ik me naar de lokale buurtsuper voor wat avondeten en ontbijt. De eerste dag zit erop en is geslaagd, maar toch overvalt me op de camping ook weer een licht gevoel van eenzaamheid. Ik spreek even met mijn Duitse buren maar realiseer me toch weer dat ik drie weken alleen op pad ben. Het is duidelijk nog even zoeken naar een ritme in m’n eentje. 

Etappe 2: Craveggia – Viverone

Gelukkig word ik op dag twee ontspannen wakker. Ik heb ondanks de hitte goed kunnen slapen en voel me al een stuk meer op m’n gemak. Na een kop koffie en een zak goedkope, matige minichocoladecroissantjes stap ik op de fiets. Het is 9:59 als ik vertrek en dat voelt als een overwinning, ik zit namelijk één minuut eerder dan gepland op de fiets! Na een korte afdaling lopen de eerste kilometers omhoog. Best taai zonder het lichaam degelijk op te warmen, maar gelukkig word ik beloond met een prachtige afdaling. Door het bos met her en der prachtig uitzicht door de bergen kronkel ik in dalende lijn naar Laggo Maggiore. Ongeveer twintig kilometer rijd ik langs het meer waarna ik weer de uitlopers van de Alpen in rijd. Over glooiende wegen rijd ik door Omegna en Borgosesia. De laatste klim voor Borgosesia ga ik in het wiel zitten van een jongen die het tempo behoorlijk hoog heeft liggen. Toch besluit ik even aan te zetten. “Dan is de klim ook eerder voorbij”, denk ik. Na de afdaling praten we even over mijn reisplannen en zijn fiets, vijf minuten later scheiden onze wegen. Ik scoor bij een supermarkt lunch: een fles cola van 660 milliliter (hopelijk leest mijn tandarts niet mee), een croissantje en een banaan.

Met nog ongeveer veertig kilometer te gaan zie ik landinwaarts donkere wolken ontstaan. Ik was van plan de klim naar Monte Oropa (waar Tom Dumoulin in 2017 een prachtige ritoverwinning boekte in de Giro d’Italia) nog op te rijden, maar besluit daar vanwege onweer vanaf te zien. Ik daal af naar Biella en begin aan het laatste stuk naar de bestemming van die dag: Viverone, een dorpje aan een meer in een vallei wat doet denken aan een meteoorinslag. De laatste kilometers naar de camping lopen nog smerig omhoog maar gesterkt door de gedachte dat ik er bijna ben trek ik het gashendel nog één keer open, ondanks de vreselijke hitte. Eenmaal aangekomen op de top stuurt mijn Garmin me een gravelpad op. Volgzaam fiets ik door, maar na een paar honderd meter besluit ik toch maar te gaan lopen. Als ik weer een paar honderd meter verder ben realiseer ik me dat dit nog wel even duurt en besluit ik om te draaien en terug te lopen, dan maar wat extra kilometers fietsen. 

Ongeveer tien kilometer verder kom ik aan op de camping waar ik door een Rotterdamse familie hartelijk wordt onthaald met koud pils. Nadat ik mijn tentje heb opgezet en heb gedouchet haal ik bij het restaurant aan de overkant van de straat een pizza. Ik ben tenslotte naar Italië gekomen voor het lekkere eten, goede koffie en rode wijn. Al etend op het terras van de camping raak ik aan de praat met een Nederlandse Italiaan. Hij is opgegroeid in de omgeving van Biella maar woont al jaren in Gouda en is erg benieuwd naar mijn drang om alleen te fietsen. Ik leg uit hoe mijn plan is ontstaan en waarom ik alleen fiets. Een klein uur praten we, totdat ik naar bed ga. Nog altijd is het 26 graden als ik mijn tentje induik. Ik voel de parels zweet op mijn rug dansen maar val desalniettemin als een baksteen in slaap.

Etappe 3: Viverone – Armona

Op dag 3 word ik met welgeteld veertien muggenbulten wakker, maar ik voel me weer fris. Na een ontbijt met goede espresso en vers brood begint de rit waar die van gister eindigde: met een route die me over gravel probeert te sturen. Ik keer ditmaal gelijk om en neem de extra kilometers om het meer voor lief. Het grootste deel van de route voert vandaag over de grens van de Po-vlakte en de uitlopers van de Alpen. De wegen zijn licht glooiend maar na het klimwerk van de dagen hiervoor voelt het als vlak. In het begin heb ik wind tegen en ben ik bang dat het de hele dag zo gaat blijven, maar dat blijkt mee te vallen. Na ongeveer 70 kilometer draai ik weer iets meer het gebergte in. Ik rijd langs Turijn maar fiets daarna door Vale di Susa definitief weer de alpen in. Ik drink voor de verandering een colaatje bij een supermarkt. Terwijl ik in de schaduw schuil voor de hitte komt er een Marrokaanse man naast me zitten met wie ik een tijdje praat. Hij vraagt waar ik vandaan kom en laat foto’s zien van zijn thuisland maar gaat al gauw weer door. Ik ook. Nog een klein anderhalf uur de hitte trotseren en dan ben ik op de plaats van bestemming. 

Een heerlijk Italiaans ontbijt

De prachtige uitzichten helpen me de laatste kilometers door. Aangekomen in Susa staat me enkel nog een steil slotklimmetje te wachten naar bet miniscule dorpje Armona. Nog één keer werk ik me volledig in het zweet maar eenmaal aangekomen op de top word ik opgewacht door Sander en Camiel: twee sporters die ik via WATTWORKS ken en samen met hun vrienden Flaviano en Wouter op vakantie zijn. De heren van Il Banda, zoals ze zichzelf noemen, zijn zo vriendelijk mij avondeten en onderdak te bieden voor de nacht. Een aanbod wat ik met beide handen aangrijp. We praten ‘s avonds urenlang over de koers, onze wielerhelden en allerhande andere zaken. Ik geniet van een vol bord pasta, vers brood met lokale kaas en een goed glas wijn. Aan het eind van de avond ga ik net als de avonden voordien moe maar voldaan slapen, zij het deze keer niet op een matje maar in een echt bed. Heerlijk.

Etappe 4: Armona – Bourg Saint Maurice

Dag vier begint met een in vergelijking tot de voorgaande dagen uitgebreid ontbijt. Na een aantal groepsfoto’s in het pittoreske bergdorpje Armoma dalen we af naar Susa. Ondanks een bijna-aanrijding van Flaviano met een hert komen we heelhuids aan en drinken we in het centrum een kopje koffie, voordat Il Banda de Colle delle Finestre opgaat, en ik richting Frankrijk ga rijden. De eerste van twee grote beklimmingen die mij te wachten staat is de Mont Cenis, die ik op aanraden van Sander begin op een zijweggetje. De klim begint vals plat, maar als ik Susa goed en wel uit ben begint de weg behoorlijk omhoog te lopen. Stijgingspercentages tot 14% in combinatie met de hitte maken het er niet makkelijk op, maar het uitzicht is prachtig en er is amper verkeer op de weg. In Moncenisio zit het eerste deel van de klim erop. Ik daal langs het Laggo Grande en Laggo Picollo (inspirerende namen) af richting de grote weg, om door te fietsen naar de top op 2083 meter naast het meer van Mont Cenis. De eerste kilometers is er weinig uitzicht maar des te dichter ik bij de Franse grens kom, des te mooier het wordt. De laatste kilometers rijd ik omhoog door een open graslandschap en kan ik het behoorlijk grote meer al zien liggen. 

De rustige klim naar Moncenisio

Al kilometers lang kijk ik lekkerbekkend uit naar een Frans bosbessentaartje op de top, maar als ik daar eenmaal ben aangekomen en bij het eerste restaurant besluit te stoppen blijk ik alleen cash te kunnen betalen. Ik heb nog 2,50 euro muntgeld, precies genoeg voor een koude cola. Ik besluit dan maar snel door te gaan, want er wacht nog een taaie beklimming. Na een paar glooiende kilometers lang het meer daal ik over brede wegen tussen skipistes en stoeltjesliften richting Lanslevillard. Na een korte pauze om wat te eten en voor de zoveelste keer verkoeling bij een fonteintje te zoeken begin ik aan de eerste kilometers van de Col de l’Iseran, de hoogste top van de vakantie. Vanaf de start ben ik niet vooruit te branden. Het is nog steeds heet, er is geen schaduw en het is gelijk steil. Gelukkig volgen er na een paar kilometer klimmen ook weer een ruim tiental kilometers vals plat door de Mauriennevallei. Het slechte gevoel blijft daar echter hangen dus ik besluit een paar kilometer voordat het serieuze klimwerk begint nog even te pauzeren. Ik eet en drink wat, en probeer mezelf wat moed in te praten. 

Vanuit Bonneval-Sur-Arc begint de klim naar 2770 meter dan écht. De eerste kilometers lopen beter dan verwacht, dus ik fiets weer relatief ontspannen omhoog. Na vier kilometer beginnen de donkere wolken die ik al even zie hangen onheilspellende geluiden te maken en al gauw start het met regenen. Ik besluit door te fietsen, totdat ook de hagel met bakken uit de lucht komt. Op dat moment zie ik een auto langs de weg staan, waar ik driftig naar gebaar of ik mag komen schuilen. Ik gooi mijn fiets in de berm en wordt godzijdank snel binnen gelaten door een aardig Spaans koppel. Als ze vertellen dat ze uit Barcelona komen gaat het al gauw over Frenkie de Jong. Later vertellen ze over de wandeling die ze hebben gemaakt, en biedt de dame me een mentholsnoepje aan maar na tien minuten besluit ik weer door te fietsen aangezien het is gestopt met hagelen en alleen nog zachtjes regent. Op een slakkengangetje ga ik weer verder richting de top. De laatste twee kilometer lijken eeuwig te duren maar uiteindelijk kom ik boven. Snel maak ik een foto bij het col-bordje, waarna ik een restaurant induik om op te warmen. Na een klassieke pitstop (cola-snickers) trek ik ongeveer al m’n fietskleding aan en stap ik alsof het midwinter is op de fiets om aan de afdaling te beginnen. Ondanks meerdere lagen kleding heb ik het in het begin koud, maar als ik na zeventien kilometer Val-d’Isère in rijd is de temperatuur al wat aangenamer en durf ik een van m’n jassen uit te trekken. De afdaling, die bijna vijftig kilometer duurt verloopt gelukkig vlot en voor ik het weet zie ik Bourg Saint Maurice op de borden staan. Ondertussen kijk ik vanuit een van de vele tunnels op de route naar het skioord Tignes, de beklimming die vooral bekend staat omdat ‘ie vorig jaar last-minute uit het parcours van de Tour werd geschrapt door de weersomstandigheden. 

Op de top van de Col de l’Iseran

Ik ben ondertussen erg moe en heb op een laatste stuk vals plat moeite nog degelijk vermogen te genereren. Zeker als ik een paar kilometer voor de camping nog een flinke regenbui over me heen krijg zit er behoorlijk doorheen. Op de camping zet ik snel mijn tentje op en doe ik zo snel mogelijk boodschappen. Ik ben voor het eerst deze vakantie écht moe na een lange rit en lig met een zak haribo verschanst in mijn tent bijna een uur moed te zoeken om een warme douche te nemen. Na het avondeten reageer ik nog kort op een paar whatsappberichtjes maar veel nuttigs kan ik niet meer produceren. Ik ben op en ga vroeg naar bed. Het eerste deel van de reis zit erop.