Een ode aan Amsterdam-Parijs

Een ode aan Amsterdam-Parijs

1 augustus 2020 0 Door Ties Wijntjes
Leestijd: 6 minuten

Jaarlijks organiseert de Amsterdamse Studenten Schaats-, Wieler en Skeelervereniging SKITS Amsterdam-Parijs: een wedstrijd waar wielrenners in duo’s moeten proberen zo snel mogelijk van – je raadt het niet – Amsterdam naar Parijs te fietsen. Dit jaar zou ik voor de tweede keer meedoen aan deze monstertocht, samen met goede vriend Ruben. Net als vele andere evenementen kon het dit jaar vanwege het Coronavirus geen doorgang vinden, dus besloten wij onze eigen uitdaging te bedenken.

 “Als we nou in Amsterdam starten, en ergens in het zuiden van het land een café opzoeken wat Parijs heet. Rijden we toch een soort AmPa”, stel ik voor. Ruben wimpelt het gelijk af. “Nee man, zo’n lange afstand kan iedereen doen. Laten we iets doen wat écht vet is, waarmee we echt iets unieks doen” antwoordt hij. Ik geef hem gelijk, al weet ik niet wat we dan moeten gaan doen. “Ik vind dat we moeten proberen honderd kilometer in minder dan 2,5 uur te fietsen. Net als AmPa een koppeltijdrit maar dan veel harder.” Iedere breincel in mijn hoofd zegt dat dit een heel dom idee is en ik wil nee zeggen. “Dat is wel heel vet ja” antwoord ik desalniettemin.

Op dat moment voel ik mijn hartstag nerveus stijgen. Dit is heel een heel gaaf idee, maar ik heb er weinig vertrouwen in. Ik durf te zeggen dat ik – en zeker ook Ruben – behoorlijk fit zijn, maar 2,5 uur lang veertig kilometer per uur fietsen zie ik niet zomaar gebeuren. Ik vind het een fenomenaal idee maar vanwege de lastigheidsgraad staat het me nog altijd tegen. Ik breek mijn hoofd over een andere uitdaging maar het komt niet. Ik durf geen nee te zeggen, dus we beginnen met het plannen van de rit. We gaan op zoek naar een geschikt rondje met weinig verkeer, vormen een klein supportteam en ik ga werken aan mijn tijdritpositie.

Iedere breincel in mijn hoofd zegt dat dit een heel dom idee is en ik wil nee zeggen.

Als Ruben een paar weken later vertelt dat de uitdaging op de social media van fietsenmerk CUBE vastgelegd gaat worden voel ik nog meer druk om te presteren. Een paar dagen eerder had CUBE – waardoor Ruben gesponsord wordt – hem benaderd met de vraag of hij nog een leuke uitdaging in het verschiet had, waarop hij enthousiast over ons plan had verteld. “Shit. Nu is er echt geen weg meer terug “denk ik.

Dertien juni is het dan zo ver, op de dag dat Amsterdam-Parijs zou plaatsvinden. Ik weeg bij het ontbijt minutieus mijn havermout af en gooi een dubbele espresso naar binnen. Voor vertrek eet ik nog een banaantje met een caffeïnepil. Op de fiets stap ik naar Cothen er ondertussen doe ik wat blokjes om op te warmen. Ik voel dat de wind gunstig staat en de temperatuur redelijk aangenaam is. Toch blijf ik gruwelijk nerveus voor wat komen gaat. In Cothen is Ruben bezig aan de laatste voorbereidingen. Hij probeert mij nog een van zijn triatlonpakken aan te praten, omdat hij mijn shirt niet aerodynamisch genoeg vindt, maar de wielrenner in mij weigert resoluut.

Kort voor de start leer ik Tom en Andreas kennen. Twee vrienden van Ruben die ons komen aanmoedigen en foto’s komen maken. We rijden naar de start van het rondje dat we gaan fietsen en doen een kort blokje op het tempo wat we zo moeten gaan fietsen om alvast het gevoel te pakken te krijgen. De benen voelen goed, maar ik heb nog steeds mijn twijfels over onze kans van slagen. Kort voor het begin doe ik nog een zenuwplasje en eet ik een mueslireepje. We hebben geen zin meer om te wachten dus om zes voor elf vertrekken we.

foto: Andreas de Groot

Ik mag het bal openen. We vertrekken tweehonderd meter voor het rondje om op snelheid te kunnen beginnen, en als we het parcours opdraaien start ik mijn Garmin. Gelijk ga ik in de tijdrithouding liggen op een tempo net boven de veertig kilometer per uur. We hebben van tevoren afgesproken om en om twee minuten op kop te rijden, dus na 120 seconden geef ik netjes af. De eerste ronde moet Ruben de weg wijzen – ik heb het rondje nog nooit gereden – maar hij verloopt soepel. Ook ronde twee en drie gaan voorspoedig. Ik merk dat ik goede benen heb en we zitten bijna twee kilometer per uur boven ons streven, zonder dat ik al te diep ben gegaan. Wind mee trappen we met speels gemak 45 kilometer per uur, tegen de wind in houden we de snelheid rond de 40. Na veertig minuten vraag ik Ruben hoe hij zich voelt. “Niet al te best” hoor ik hem tegen de wind in roepen. “IK VOEL ME GOED. ZAL IK WAT LANGERE BEURTJES GAAN DOEN?” schreeuw ik terug.  We besluiten dat ik een half minuutje langer op kop ga rijden, en Ruben een halve minuut korter.

Een half uur later vraag ik hoe het gaat en geeft hij aan nog steeds moeite te hebben. Hij heeft last van de agressieve houding op zijn tijdritfiets, waar hij nog weinig in heeft kunnen trainen dit seizoen. Ik stel voor dat ik de stukken tegen de wind ik op kop ga rijden, en hij met wind mee de kop neemt. Ondertussen kan ik het rondje dromen. De eerste kilometer buigt lichtjes af naar links, waarna een rottige hobbel volgt en een haakse bocht naar rechts. Een kleine honderd meter later draaien we weer naar rechts, door een bocht waar je goed om het grind heen moet. Ik aan de buitenkant, Ruben aan de binnenkant, waardoor hij mij inhaalt en terwijl we de wind in de rug krijgen op kop gaat rijden. Twee kilometer en driehonderd meter lang rijden we dan richting Werkhoven over een brede, overzichtelijke weg die af en toe een klein knikje maakt. De haakse bocht waar we Werkhoven uit rijden is het enige pijnpunt van de route. Het verkeer van links kunnen we niet zien komen, en we moeten wat extra meters maken door wat wegmeubilair. Ik neem kort voor de bocht over en versnel tegen de wind in weer naar veertig kilometer per uur. Na ongeveer een kilometer maakt de weg een flauwe bocht naar rechts, waardoor de wind de laatste kilometer vol tegen staat. Een bocht naar rechts de watertorenweg op en het rondje begint opnieuw.

Af en toe rijden Tom en Andreas een stukje naast ons of zie ik ze in een graanveld staan om foto’s te maken, maar verder zie ik weinig behalve de billen van Ruben. Ik vraag me af en toe af wat de aanwonenden denken, maar focus me snel weer op de rit. Na anderhalf uur begin ik er voor het eerst écht in te geloven dat we het gaan halen. Ons gemiddelde ligt ruim boven de veertig per uur en ik kan het tempo vast blijven houden. Ruben heeft het nog steeds zwaar maar blijft gaan, en weet het tempo vast te houden. Ik geef hem nog een gelletje en zeg dat hij moet eten. Vijf ronden voor het ben ik ervan overtuigd dat we het gaan halen, waardoor er een stoot adrenaline door mijn lijf schiet. “Kom op gast, we gaan het halen, bijt door die verzuring heen hè!” schreeuw ik naar Ruben. Mijn voorlaatste beurtje moet ik voor het eerst serieuze moeite doen om het tempo vast te kunnen houden. Behoorlijk verzuurd geef ik nog één keer af om me op te laden voor het allerlaatste stuk. Op mijn teller zie ik ons gemiddelde en kan ik ondanks de pijn een glimlach niet onderdrukken.

In Werkhoven versnel ik nog één keer uit de bocht, voor de laatste twee kilometer naar de finish. Ik zie mijn hartslag de lucht in vliegen en weet maar net veertig in het uur te blijven fietsen. Het kan er onmogelijk goed uitzien, maar ik stoemp naar de laatste bocht toe. “KOM AAN, SPRINTJE NAAR DE FINISH!” schreeuw ik. De laatste tweehonderd meter versnel ik nog één keer om vervolgens gelijk de rit op mijn Garmin te stoppen. Ik houd mijn benen stil en rol al hijgend en kwijlend uit. Ik draai om en schreeuw uit euforie naar Ruben. Het is gelukt: 41,2 kilometer per uur zie ik op mijn kilometerteller staan. 100,69 kilometer in 2:26:29.

We vallen neer bij onze toeschouwers in het gras maar kunnen nog amper praten. Alles doet pijn. De benen, mijn rug, maar bovenal het zitvlak. Semi-uitgedroogd giet ik een blikje cola naar binnen, en een paar minuten later komt het besef pas echt: we hebben het gehaald. Onze ode aan Amsterdam-Parijs is geslaagd.